4-mei toespraak burgemeester Verhoeve

 4 mei herdenking (foto Gerard van Hooff)

‘Verzetten met zin’

Vandaag is het prachtig weer. Maandag was het nog guur en regenachtig. Meivakantie notabene. Misschien heb je het wel gevraagd thuis. ‘Mamma, wat zal ik nou doen?’

Verveling is vervelend. Maar stel nu dat je de hele winter binnen moet blijven? Dat naar buiten gaan gevaarlijk is. Buiten zijn er soms soldaten; mannen die je niet kunt vertrouwen.

 

Onderduikers tijdens de hongerwinter van 1944 hadden geen wifi. Zo konden lezen. Knutselen. Of een tekening maken. Kijk. Deze tekening maakte een onderduiker uit Papekop. Van een boerderij naast de tunnel. Daar sliep hij.

 

Vanavond maken we met elkaar ook een kunstwerk. Met elkaar. Een drieluik. Zoals Gerard David die maakte. In de binnenstad hangt er hier een daar een triptiek uit de middeleeuwen. Wij schilderen vanavond drie mannen uit Oudewater tijdens de oorlog.

 

Tijdens de WOII stierven er wereldwijd 50 miljoen mensen. Een conservatieve schatting trouwens. Het kunnen er ook wel 60 miljoen zijn geweest, of 70.

 

Vanavond bespreken we maar drie verhalen. Heel verschillend. Alle drie de mannen zaten in het verzet; maar op een heel eigen manier.

 

Arie de Boer

Kom. Op het eerste schilderij zetten we een huis. IJsselveere 25. Een prachtig, ingetogen pand. Misschien kent u het wel. Naast Grandi Vini. Daar woont nu de familie Bikker. In 1940 woonde daar Arie den Boer met zijn gezin: een jongen van negen en een meisje van acht. Arie was echt een jongen van de streek. Geboren in de toenmalige gemeente Lange Ruige Weide. Zijn vrouw kwam uit Waarder.

Tussen 1920 en 1960 was hij gemeentesecretaris. De hoogste ambtenaar van de gemeente. Een stipte man. Zeer geïnteresseerd in de geschiedenis. Hij schreef graag. In 1934 al publiceerde hij één van de eerste toeristische gidsjes over onze stad.

Arie zat in het verzet. Op het stadhuis regelde hij persoonsbewijzen en bonnen voor onderduikers en verzetslieden. Hij zat in het hart van het plaatselijke ondergrondse. Commandant van de Onderduikersdienst in Oudewater. Betrokken bij de groep Albrecht. De illegale inlichtingengroep in Oudewater. Men regelde met een kleine groep mensen van alles. Een slachtlijn voor de onderduikers. Het ziekenhuis in de Kapellestraat moest voldoende eten hebben. Insuline ook.

 

Arie zat in het verzet. Gevaarlijk? Nu ja, zijn baas was lid van de NSB. Burgemeester Van Doornick moest weg van de Duitsers. En zo kwam in 1942 een onopvallende boekhouder die altijd al burgemeester had willen worden op de Visbrug terecht.

 

In oktober 1944 werd Den Boer verraden. Han Putman, een verzetsvriend, schreef in zijn dagboek: ‘Het zal mij ten minste 100% meevallen als we de man ooit terugzien.’ Met een politieman uit Lopik zat Arie in de cel.  

 

Er klonk een klop op de deur. De politieman, Oene Steenbeek, moest mee. Willekeurig gekozen. Het verzet  had eerder een bewaker neergeschoten. Als vergelding werd een aantal gevangenen doodgeschoten. Den Boer niet. Sterker nog, onverwacht werd hij op 29 januari 1945 vrijgelaten uit Kamp Amersfoort. Z’n dossier was zoekgeraakt. Begin februari was hij weer terug. De NSB-burgemeester was opgelucht. Hij had zijn linker- en rechterhand weer terug.

 

Jan Montyn

Mag ik u meenemen naar het tweede paneel? Wie is dat nu? Iemand af die zelf schilder was. Jan Montyn. Een echte geelbuik. In 1924 geboren in Oudewater. Zijn vader was huisschilder. Jan hield van het avontuur. En van soldaten. Net als zijn vader.

 

Jan werd opgeroepen voor Duitsland. Alle mannen tussen de 17 en 40 jaar moesten werken in fabrieken. Arbeitseinsatz. Jan had daar niet zoveel zin in. Hij ging liever naar een arbeidskamp in Leusden. In de bossen, voor het eerst weg van huis. Geweldig voor een knul van 18, nietwaar? Hij werd arbeidssoldaat genoemd. Klinkt dat niet stoer?

 

Het kampleven beviel hem wel. Hij werd lid van de Jeugdstorm. De padvinders van de NSB. Hij kampeerde in Arnhem. Daar sloot hij vriendschap met Hein. De vader van Hein zat in het Duitse leger. Hein zei: ‘Kom, ga mee naar Oostenrijk. Naar een Wehrmachtkamp.’

 

De ouders van Jan vonden het maar niets. Maar ja, ze hadden Jan niet meer aan een touwtje. En zo ging Jan weg, naar Oostenrijk op kamp. Spannend was dat. Ex-militairen hadden de leiding. Een dropping, midden in de nacht. Met dynamiet een spoorlijn laten ontploffen. Spectaculair.

 

Jan en Hein wilden geen dienstarbeid verrichten in een benauwde fabriek. En dus meldden ze zich aan voor de marine. De Duitse Marine. In 1944 werd hij na een korte opleiding ‘Hemelvaartscommando’. Mijnen ruimen. Later ging hij de loopgraven in aan het Oostfront. Het meest bloederige front van WOII. Vernichtungskrieg. Niet alleen de geallieerden, maar juist ook de Russen hebben de Duitsers verslagen.

 

Nu goed, Jan zat in de loopgraaf in Letland. Soms 40 meter bij de Russen vandaan. Hij stond soms op wacht. Jan zat dus ook in het verzet. Maar aan, wat we achteraf gezien, de foute kant hebben genoemd.

 

Ik was deze week in het Museon in Den Haag. Een bijzonder museum. In de vaste expositie is er aandacht voor ‘kinderen uit de oorlog’. Daarin ook het verhaal van Jan Montyn. Ik las er zijn levensverhaal. Bladerde door zijn foto-album en schetsboek. ‘Alles in de loopgraven ademde dood en verderf. Mist, rottenis en lijklucht. Hij zag eens een gehelmde sluipschutter. Trillend van de angst schoot Jan. Op den duur werd dat gewoon.’

 

Hans Strick

Kom, naar het derde paneel. Kijk, we zien een boerderij! De Papekopperdijk nummer 1. Sinds 2 maart 1943 woont daar Cor Hagoort. Van het aannemingsbedrijf. Hij woont er nog steeds. Pas was ik er nog toen hij samen met zijn geliefde hun huwelijksjubileum vierde. De boerderij is echt familiebezit. De vader van Cor is er geboren. Net als zijn zus Gre uit de Spoorwijk.

Cor zei: ‘Vader was boer en timmerman. Het was armoe troef. In 2008 kregen we een crisis. Dat was vooral minder welvaart. Een stapje terug. In die tijd, bijna honderd jaar geleden, gingen er boeren failliet. Er was geen sociale voorziening. Vanuit de nood ging vader naast zijn boerenbedrijf ook timmeren.’

‘Pa was een echte Hollander. Hij had niets met de Duitse bezetter. Bij ons thuis werd er alleen maar over moffen gesproken. Hij ergerde zich aan de aanhangers van de NSB in de omgeving. Er waren er wel die hier woonden die anderen verklikten. Ja, gewoon mensen uit Oudewater die dat deden.’

‘Aan het einde van de oorlog kwamen er twee jongens langs. Ik was toen een peuter en weet daar niets meer van. Moeder was in verwachting van Ans. Die twee jongens kwamen uit Den Haag. Ze wilden niet naar Duitsland om in fabrieken te werken. Hans Strick en Ed Veenstra. Ze mochten bij ons slapen. Onderduiken dus. Er waren wel meer onderduikers in Papekop. Na verloop van tijd ging Hans naar een ander adres aan de Diemerbroek. Bij Jan van Drie.

Ja, ze kwamen soms buiten. Ze moesten zich toch wat bezighouden.’

 

En zo maakte Strick een tekening van de boerderij. Hij hangt nog steeds boven de schouw. Een onderduikschets. Onderdrukking geeft kansen om ondanks alles iets moois te maken.

Cor vertelde: ‘Er waren gelukkig geen razzia’s in Papekop. Maar wel controle. Dan kwamen er Duitsers op het erf. Oppervlakkig wat zoeken. Op een dag waren ze weer in aantocht. Mijn zus Gré schrok van de naderende soldaten. Ze sloeg alarm. “De Duitsers komen!” De onderduikers wisten niet hoe ze het hadden. Snel verstopten Hans en Ed zich. Op de hooizolder boven de schuur. Daar kwamen de Duitsers al. Zouden ze ontdekt worden? Voor mijn ouders waren het benauwde momenten. Weliswaar waren het Nederlandse jongens. Geen Joden. Daar waren de Duitsers nog meer op gebrand om ze te vinden. Maar dan toch. Ze liepen een zeker risico. Wie weet werden ze tegen de muur gezet.’

 

‘De Duitse soldaten liepen bij ons het erf op in Papekop. Marcheerden de schuur in. Boven hen was de zolder. Daar zaten Hans en Ed. Ze hoorden de soldaten gewoon praten… maar.. de Duitsers merkten het niet op. Ze ontdekten niets. Toen ze weg waren, haalden mijn ouders opgelucht adem.’

 

Drie mannen. Arie. Jan en  Hans. Hoe liep het met ze af?

 

Arie den Boer werd weer gemeentesecretaris. NSB-burgemeester De Vries werd op 8 mei 1945 ontslagen. Den Boer werkte tot aan zijn pensioen in 1960. Hij schreef ontroerende briefjes aan kinderen die de ooievaar van Oudewater vroegen om een broertje of zusje. In 1972 overleed hij. Binnenkort wordt vermoedelijk naar hem een straat genoemd.

 

Jan Montyn overleefde de oorlog op miraculeuze wijze. Hij werd veroordeeld tot drie jaar straf in een heropvoedingskamp. Later werd hij beroemd kunstschilder. ‘Hij kreeg na de oorlog buien van razernij. Hij werd wakker met ontvelde vuisten en blauwe plekken. Voor Jan bleef het iedere nacht oorlog.’ In 2015 overleed hij op 90-jarige leeftijd.

 

Hans Strick vertrok na de oorlog naar Amerika. Kreeg een zoon. Die zoon woont nu in Engeland. In december stuurde hij naar de familie Hagoort nog een heel aardige kerstkaart.

 

50 miljoen slachtoffers. Alleen al tijdens de WOII. Vanavond maar drie verhalen. Drie mensen die overleefden.

 

Wat is nu de les? Mensen zijn geen engelen, ook geen beesten. Ons gedrag is niet volmaakt. Wijsheid achteraf is vaak zo gemakkelijk. Kijk naar uw eigen leven. Er zullen keuzes zijn waarvan je later spijt kreeg. En dan familieleden: ‘ik had je toch gewaarschuwd?’

‘Mensen die zich willen gedragen als een engel, hangen zelf vaak de beest uit’ zegt Blaise Pascal (Pensees, fr 678). Op een avond als deze past ons bescheidenheid. Nederigheid. Dankbaarheid. Het is intens belangrijk letterlijk en figuurlijk stil te staan bij onze vrijheid. Herdenken is onze burgerplicht, nietwaar?

 

Nooit is vrede vanzelfsprekend. In de voorjaarsvakantie was ik in Israël. Met de bus reden we naar de Golanhoogte. Een strategisch gelegen heuvelgebied. Damascus en Jeruzalem zijn dichtbij. We maakten een stop bij een restaurant. Coffee Annan heette het. Er was appelgebak te koop, souvenirs en Magnums.

 

Even verderop was er een uitkijkpost. Bemand door militairen van de VN. Syrië, Libanon en Israël claimen dit niemandsland. Ik sprak er een soldaat uit Australie. Een vriendelijke en besliste man. Hij vertelde me: ‘die stad daar is in handen van de regeringstroepen. Die stad daar is in handen van rebellen. We geven de troepenbewegingen dagelijks door aan New York. Nu is het een binnenlands conflict. Als ze hier komen, dan is het een internationaal conflict.’ Stil hoorde ik hem aan.

 

Het oorlogsgebied kon je zo zien. Het lag op drie, vier kilometer afstand. We liepen terug. Opeens klonken er doffe knallen. Verschillende keren na elkaar. Artillerievuur tussen regeringstroepen en rebellen. ‘O, dit horen we iedere dag’ vertelde de militair. ‘Niets bijzonders.’

 

Voor mij wel. Onwezenlijk. Opgegroeid in een vredevol Europa. Ja, we hebben een onrustige samenleving. Nederlandse mannen en vrouwen dienen en dienden wereldwijd in missies voor recht en gerechtigheid.

 

We zijn soms snel boos op elkaar. ‘Twitter maakt het debat soms bitter’ zei onze koning in een kersttoespraak. Waarom toch? We zijn immens welvarend. De levensverwachting stijgt. We gaan vaker en verder op vakantie. Onze scholen, ziekenhuizen en wegen horen tot de beste van de wereld. Zullen we dankbaar zijn voor de vrede? Onze vrijheden en rechten koesteren en waarderen?

 

Martin Luther King werd vijftig jaar geleden neergeschoten. Hij droomde van een land voor zijn kinderen zonder racisme en zonder haat. In zijn laatste speech vergeleek hij zich met Mozes. ‘I have been to the mountaintop.’ Mozes zag vanuit de woestijn het Beloofde Land liggen, maar kwam er niet. Laten wij met King blijven verlangen naar een wereld van recht en gerechtigheid. Ons geweldloos verzetten tegen onrecht. Met King dromen van een land waar geen grenzen bestaan. Waar wapens worden neergelegd. Waar liefde woont.

 

Zojuist hoorden we het carillon spelen. Zo klonk het ook in Kampen in 1941. Een lerares van 36 – ik ben van dezelfde leeftijd – liep over straat. Ida Gerhardt. Het was druk, maar de sfeer beklemmend. Duitsland was oppermachtig. Opeens galmde een geuzenlied van Valerius vanuit de klokkenstoel.

 

Wij slaan het oog tot u omhoog/ Die ons in angst en nood/ Verlossen kond tot aller stond/ Ja zelfs tot in de dood

 

Ze herkende het. Het liet haar niet los. Ze maakte een gedicht om die éne regel. ‘Wij slaan het oog tot U omhoog’. Voor haar een lichtstraal in een donkere tijd. Een stukje uit dit gedicht.

 

 

Valerius: - een statig zingen

Waarin de zware klok bewoog

Doorstrooid van lichter sprankelingen

‘Wij slaan het oog tot U omhoog’

 

 

Dit sprakeloze samenkomen

en Hollands licht over de stad

Nooit heb ik wat ons werd ontnomen

Zo bitter, bitter liefgehad